Transport en logistiek kent de scherpste spanning met artikel 7:611a lid 2 BW. Beroepschauffeurs moeten voor hun vakbekwaamheid (Code 95) elke vijf jaar 35 uur nascholing volgen, een plicht die voortvloeit uit Richtlijn (EU) 2022/2561. Die plicht rust primair op de chauffeur, niet op de vervoerder. Of de nascholing daarmee verplichte scholing in de zin van lid 2 is of onder de uitzondering voor beroepskwalificaties valt, is in de rechtspraak niet uitgekristalliseerd. Kies daarom de voorzichtige route: bied de Code 95-nascholing kosteloos aan en beperk het terugbetalingsbeding tot aanvullende, vrijwillige trainingen.
Zorg en welzijn werkt met cao's die vaak verder gaan dan de wet. De cao VVT bepaalt dat scholing die de werkgever verplicht stelt, volledig in tijd en geld wordt vergoed, en een kantonrechter heeft op die grond verrekening van studiekosten met het loon afgewezen. Ook opgedragen scholing die niet wettelijk verplicht is, wordt hier dus kosteloos. Toets een studiekostenovereenkomst in deze sector daarom eerst aan de cao.
Kinderopvang laat zien dat de cao ook ruimte kan bieden. Voor BBL-studenten bevat de cao Kinderopvang een eigen regeling, en de kantonrechter in Rotterdam oordeelde in 2024 dat die de werkgever niet verplicht de beroepsopleiding kosteloos aan te bieden. Het studiekostenbeding van de pedagogisch medewerker bleef daarom in stand.
Financiële dienstverlening valt onder de vakbekwaamheidseisen van artikel 4:9 Wft, die de onderneming zelf verplichten te zorgen dat haar medewerkers vakbekwaam zijn. Wft-diploma's en de periodieke permanente educatie zijn voorwaarde om de functie te mogen uitoefenen. Behandel die kosten als verplichte scholing, tenzij u na juridisch advies vaststelt dat de beroepskwalificatie-uitzondering van toepassing is.