Amsterdam kent de scherpste spanning tussen contract en publiekrecht. De gemeente stuurt via het omgevingsplan en het horecabeleid per gebied op branchering, en in delen van het centrum gelden beperkingen voor toeristenwinkels en voor omzetting van detailhandel naar horeca. Een huurder die tekent voor een bestemming die het omgevingsplan niet toestaat, staat met lege handen. De huurprijzen in de topstraten lopen bovendien zo ver uiteen dat een vordering op grond van artikel 7:303 BW staat of valt met de keuze van de referentiepanden.
Rotterdam en Den Haag verkleinen allebei actief hun winkelgebieden en stimuleren transformatie naar wonen. Voor een verhuurder is dat relevant, omdat concrete herontwikkelingsplannen kunnen worden ingezet als dringend eigen gebruik in de zin van artikel 7:296 lid 1 BW. Vage voornemens houden bij de kantonrechter geen stand.
Utrecht en de overige grote steden vragen aandacht voor de exploitatievergunning uit de plaatselijke verordening en, bij het schenken van alcohol, voor de vergunning op grond van de Alcoholwet. Die vergunningen zijn persoonsgebonden en gaan niet automatisch mee met het pand. Neem daarom een opschortende voorwaarde op die de huurovereenkomst laat vervallen als de vergunning uitblijft.
Noord-Brabant en Gelderland laten in middelgrote kernen ruimere panden zien, langere huurperiodes en huurders die zelf fors investeren in de inrichting. Leg vast wie die investeringen bij het einde van de huur verwijdert en of de verhuurder ze overneemt, want artikel 7:308 BW biedt de vertrekkende huurder maar een smalle vergoedingsmogelijkheid.
Zeeland, Limburg en Oost-Groningen kampen met structurele leegstand, waardoor aanloopkortingen en omzetgerelateerde huur er gangbaar zijn. Een omzethuur zonder minimumhuur maakt de vergelijking met andere panden bij een latere huurprijsprocedure bijzonder lastig, dus leg altijd een bodembedrag vast.