Amsterdam vereist voor het omzetten van zelfstandige woonruimte naar kamers een omzettingsvergunning op grond van de Huisvestingsverordening, met quota per wijk en aanvullende geluids- en kwaliteitseisen in de nadere regels. Wie zonder vergunning kamergewijs verhuurt riskeert een bestuurlijke boete, los van de huurrechtelijke gevolgen. In veel panden is naast de omzettingsvergunning een omgevingsvergunning nodig, omdat het omgevingsplan uitgaat van bewoning door één huishouden.
Utrecht kent eveneens een vergunningplicht voor kamerverhuur en toetst aanvragen op de gevolgen voor de directe woonomgeving. Aanvragen sneuvelen in de praktijk op parkeerdruk en op het aandeel reeds omgezette panden in dezelfde straat, niet op de kwaliteit van het huurcontract.
Groningen en Nijmegen werken met een leefbaarheidstoets die niet in de verordening zelf staat maar in beleidsregels is uitgewerkt. Dat maakt het beleid wendbaar en voor verhuurders lastig te voorspellen. Vraag altijd de actuele beleidsregels op voordat u een pand koopt met het oog op kamerverhuur, want een geweigerde vergunning maakt het verdienmodel in één klap onmogelijk.
Haarlem hanteert een omzettingsvergunningplicht voor een groot deel van het grondgebied, gebiedsgericht en per buurt verschillend. Een gemeente mag zo'n plicht alleen instellen wanneer die noodzakelijk en geschikt is voor de bestrijding van schaarste aan woonruimte, een voorwaarde die de bestuursrechter daadwerkelijk toetst.
In gemeenten zonder huisvestingsverordening is geen omzettingsvergunning nodig, maar geldt het omgevingsplan onverkort. Daarnaast kan iedere gemeente op grond van de Wet goed verhuurderschap voor aangewezen gebieden een verhuurvergunning invoeren. De huurrechtelijke inhoud van het contract, van huurprijstoetsing tot opzegtermijn, is landelijk uniform.