De lening voor de eigen woning. Wil de lener de rente aftrekken, dan moet de lening kwalificeren als eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.119a Wet IB 2001. Dat vereist een contractuele verplichting om ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig af te lossen (artikel 3.119c Wet IB 2001), en die verplichting moet ook feitelijk worden nagekomen. Omdat een familielid geen aangewezen administratieplichtige is, geldt daarbovenop de informatieplicht van artikel 3.119g Wet IB 2001: de kerngegevens van de lening horen jaarlijks in de aangifte inkomstenbelasting. Wordt een jaar te weinig afgelost, dan verhuist de schuld in beginsel naar box 3 en vervalt de renteaftrek. Voor een hypotheekrecht op de woning is een notariële akte nodig; het overige papierwerk rond de woning vindt u bij de huurovereenkomsten en vastgoeddocumenten.
De lening aan een ondernemende naaste. Leent u aan iemand met een eenmanszaak, dan leent u aan die persoon privé en is zijn volledige vermogen aansprakelijk. Leent u aan een bv, dan is de vennootschap uw wederpartij en is een persoonlijke borgstelling van de bestuurder vrijwel altijd nodig om enige zekerheid te hebben. Let ook op achterstelling: banken en leveranciers verlangen regelmatig dat de familielening wordt achtergesteld, zodat u pas aan de beurt komt als zij zijn voldaan. De stukken rond de vennootschapsstructuur staan bij de modellen om een bv of eenmanszaak op te richten.
De lening tussen partners en samenwoners. Ook tussen echtgenoten en geregistreerd partners kan artikel 15 SW 1956 toeslaan bij een renteloze, direct opeisbare lening. Bij samenwoners zonder samenlevingscontract is de overeenkomst vaak het enige bewijs dat een van beiden meer heeft ingebracht. Leg daarom vast waarvoor het bedrag is bestemd en hoe wordt afgerekend als de relatie eindigt. Een lening die niet is vastgelegd, wordt bij een breuk standaard als schenking gepresenteerd door de ontvangende partij.
De lening met erfrechtelijke gevolgen. Overlijdt de uitlener, dan gaat de vordering over op de erfgenamen, die daarmee schuldeiser van hun eigen broer of zus worden. Een kwijtscheldingsbeding bij overlijden is mogelijk, maar telt fiscaal als verkrijging en verandert dus de erfbelasting.