De kernbepaling is artikel 7:668 lid 1 BW. De werkgever informeert de werknemer uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt schriftelijk over het al dan niet voortzetten ervan en, bij voortzetting, over de voorwaarden. Het tweede lid sluit contracten van minder dan zes maanden uit, evenals overeenkomsten waarvan het einde niet op een kalenderdatum is gesteld, zoals een vervangingscontract dat eindigt bij terugkeer van een zieke collega. Voor uitzendovereenkomsten met een uitzendbeding volgt een uitzondering uit artikel 7:691 lid 2 BW.
De sanctie staat in het derde lid. Komt de werkgever de verplichting niet na, dan is hij een vergoeding verschuldigd gelijk aan het loon voor één maand; zegt hij te laat aan, dan geldt een vergoeding naar rato. Bij faillissement, surseance van betaling en schuldsanering van de werkgever is de vergoeding niet verschuldigd. Het vierde lid voegt een tweede risico toe: wordt de overeenkomst na de einddatum zonder tegenspraak voortgezet, dan geldt zij als verlengd voor dezelfde duur, met een maximum van een jaar, op de vroegere voorwaarden. Overschrijdt de keten daardoor de grenzen van artikel 7:668a BW (meer dan drie contracten of meer dan 36 maanden), dan ontstaat een vast dienstverband.
De Hoge Raad heeft de discussie over de vormvereisten beslecht in zijn beschikking van 7 oktober 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1374). De aanzegplicht is van dwingend recht en het schriftelijkheidsvereiste wordt strikt toegepast. Een mondelinge mededeling, hoe duidelijk ook, voldoet in beginsel niet aan de aanzegplicht. Alleen in uitzonderlijke gevallen, na een belangenafweging, kan daarvan worden afgeweken. Omdat de werkgever de tijdige ontvangst moet bewijzen (artikel 3:37 lid 3 BW), is een aantoonbare uitreiking net zo belangrijk als de inhoud. De werknemer moet zijn verzoek om de vergoeding indienen binnen drie maanden na de dag waarop de aanzegverplichting is ontstaan (artikel 7:686a lid 4 sub b BW), wat neerkomt op ongeveer twee maanden na de einddatum. De toelichting van de Rijksoverheid op de aanzegtermijn en de aanzegvergoeding bevestigt deze uitgangspunten.